amalek
‘Een moeder van het volk van Amelek, met een kleine baby aan haar borst, is met haar twee andere kinderen weggekropen in een hoekje in de hut. Angstig luisteren ze naar de strijdkreten en het gekerm van gewonde en stervende soldaten, die buiten op het plein weerklinken. Plotseling horen ze grootvader, die ondanks zijn hoge leeftijd, vecht als een leeuw om zijn kleinkinderen te beschermen. Grootvader slaakt een kreet. Even later horen ze een afschuwelijk geluid; een gorgelend geluid dat hen doet denken aan het slachten van schapen. De deur gaat open. Een woeste buitenlandse krijger stapt binnen. Zijn uitrusting en zijn gezicht zijn bedekt met een laag geronnen bloed. In zijn ene hand draagt hij een groot mes, waar het warme bloed vanaf druipt. Zijn andere hand houdt het haar van grootvaders afgehakte hoofd in een sterke greep. De twee kinderen kruipen nog dichter tegen elkaar aan. Bevend van angst zien ze hoe de krijger dichterbij komt. Het dode hoofd van grootvader valt met een doffe plof op de grond. Als de krijger vlak bij hen staat, wordt zijn blik nog woester dan hij al was, en hij grijpt de moeder bij het haar, en trekt haar omhoog. Met tranende ogen vol liefde kijkt ze voor de laatste keer naar haar kinderen. Terwijl de krijger het enorme mes op haar keel zet en begint te snijden, laat ze haar baby vallen, en het laatste wat ze ziet is hoe het pasgeboren jongentje zachtjes huilt en besmeurd wordt met het warme bloed dat uit haar halsslagader gutst. Daarna wordt het zwart voor haar ogen.
Haar lijdensweg is voorbij, maar voor de kinderen wordt het alleen maar erger. De twee oudste kinderen zien hoe het levensloze lichaam van hun moeder in elkaar zakt. Nu is de blik van de krijger op hun gericht. Hij trekt een groot zwaard uit een schede, die bevestigd is aan een riem om zijn middel. Hij heft zijn handen die het gevest van het naar beneden gerichte zwaard stevig omvatten, en stoot met kracht naar beneden. De twee oudste kinderen zien hoe het metaal in het rompje van hun broertje verdwijnt, ze zien hoe het kloppende bloed uit de wond stroomt, ze zien hoe het kindje met angstige ogen naar boven staart, niet in staat om te begrijpen wat er gebeurt, en ze horen hoe het met horten en stoten de laatste adem uitblaast.
Verwilderd kijkt de krijger op, en zijn blik veranderd enigzins als hij de oudste van de twee overgebleven kinderen ziet, een aantrekkelijk jong pubermeisje. Hij grijpt het meisje bij het haar, trekt haar alle kanten op, draait haar rond, knijpt en betast haar met zijn met bloed besmeurde handen, en bekijkt haar met wellustige ogen. Opeens is hij zich bewust van een klein jongentje dat op zijn kniexebn zit en apathisch voor zich uit kijkt. Met een wazige blik, alsof hij heel ergens anders aan denkt, trekt hij zijn zwaard uit het bloedende rompje van de zuigeling. Met een verveelde zwaai onthoofdt hij de kleuter, en sleurt hij zijn ‘buit’ aan het haar naar buiten.
De lijdensweg van grootvader, moeder, de baby en het kleine jongentje zijn voorbij, maar de lijdensweg van het oudste zusje duurt voort. De afschuwelijke beelden zijn voor de rest van haar leven op haar netvlies gebrand, en telkens zal ze er aan herinnerd worden als haar ‘meester’ s’avonds bij haar komt en zijn lusten op haar botviert. De enige manier waarop ze eraan kan ontsnappen is door zichzelf van het leven te beroven, maar zolang ze in het slavenverblijf van de ‘meester’ gevangen wordt gehouden, lukt dat niet. Op een dag wordt ze te oud, verliest ze haar jeugdige aantrekkelijkheid, en zal haar ‘meester’ haar verstoten. Daarna zal ze van de hoogste berg naar beneden springen, en voor eeuwig slapen.’
